CANTONSPARK - Baarn
Het Cantonspark is tussen 1905 en 1915 aangelegd als particuliere overtuin van de in de Villa Canton woonachtige oud planter August Janssen. In 1920 werd het park de botanische tuin van de Utrechtse Universiteit, ten dienste van onderzoek en onderwijs in de Plantkunde. In 1987 werd het park overgedragen aan de gemeente Baarn voor één gulden, onder voorwaarde dat de gemeente de bijzondere meerwaarde van het park zou beschermen en uitbouwen. Het park werd openbaar, maar met beperkingen, die te maken hadden met deze opzet. Begin negentiger jaren verschenen de Vrienden van het Cantonspark op het toneel, vanaf 1993 als Stichting met als doelstelling de bijzondere botanische waarde van het park te promoten, en het park samen met de gemeente Baarn te beheren en uit te bouwen. lees verder voor de historie >>
Het Cantonspark is gelegen aan de Faas Eliaslaan te Baarn. Voor een routebeschrijving klik hier
Boom van de maand juni 2010
De Steeneik, Quercus ilex
Een betrekkelijk jong, maar goed uitgegroeid exemplaar van deze van origine mediterrane eik staat in de rozentuin, dicht bij de stenen trap. In de Gids van het Cantonspark heeft hij nr. 132i gekregen Het is één van de 16 soorten eik die het park vandaag de dag telt. Een van de eerste artikelen in de reeks “Deze week in het Cantonspark” ie we in de 90tiger jaren van de vorige eeuw, in de Baarnsche Courant publiceerden, ging over de eiken in het park van toen en behandelde de 4 toen aanwezige soorten. Met in het achterhoofd de gedachte dat een botanische tuin, ook al diende die niet meer als zodanig, bij de collectievorming keuzes zou moeten maken, leidde er toen toe dat we kozen voor uitbreiding van de collectie eiken. Daar hadden we goede redenen voor, waar we op deze plaats nu niet verder op in gaan. Wel is sindsdien gebleken dat de twaalf nieuwe soorten en variëteiten het stuk voor stuk goed doen en waardevolle aanwinsten zijn gebleken.
De Steeneik is een fraaie boom die alleen met de inmiddels stokoude Spaanse eik (nr. 37) gemeen heeft dat de bladeren in de winter aan de boom blijven zitten. Hij behoort dus tot de “immergroene eiken” zoals deze groep van zuidelijke soorten in de oudere literatuur heet. De bladeren blijven enkele jaren intact, maar elk jaar worden ook nieuwe gevormd. Dat zijn bij onze boom bleekgroene bladeren die aan de jonge twijgen ontstaan en die sterk in kleur contrasteren met de oudere bladeren, die vrij dik, leerachtig en althans aan de bovenkant, glanzend donkergroen zijn. De onderzijde is bleker, door aanliggende, dichte beharing.
Een andere merkwaardigheid van de bladeren van dit exemplaar is, dat ze vnl aan de bladonderzijde kleine roestkleurige vlekken hebben,die veroorzaakt worden door galmijjten, die vanaf het begin dat de boom hier stond, aanwezig waren en het dus waarschijnlijk is dat dit exemplaar rechtsreeks uit een zuideuropees land is ingevoerd. Deze vlekjes bestaan uit dicht bij elkaar staande korte haren die uit de epidermiscellen ter plaatse abnormaal zijn uitgegroeid, onder impuls van de mijten. Dit zijn met het blote oog nauwelijks waarneembare diertjes die er uit zien als kleine visjes, die zich met de monddelen aan het bladoppervlak hebben vast gezogen. Verwante soorten komen met vergelijkbare symptomen, ook voor op esdoorns, beuken, elzen, berken en tal van andere soorten planten. Het grappige is dat deze “haarplekken” in de 18de en 19de eeuw, toen de microscopen nog niet zo goed waren, of domweg niet steeds werden gebruikt, beschreven zijn als schimmels. Pas later ontdekte men de samenhang met de aanwezigheid van de mijten.
De Steeneik bloeit net als bij alle andere eiken, met opvallende meeldraadkatjes en minuscule vrouwelijke bloempjes, die na bevruchting zullen uitgroeien tot volwaardige eikeltjes. Deze bloei is bij onze Steeneik in de voorzomer vooral te zien aan de zuidkant van de boom, waar de zon kennelijk de beslissende factor is.
Hoewel het dus van oorsprong een boom uit de subtropen is, werd hij al sinds de oudheid veel verder verspreid, zij het dat hij in de mediterrané tot 25 meter hoog kan worden en ver daarbuiten altijd veel kleiner blijft. Bijzonder is dat hij in het vrijwel vorstvrije zuidelijke deel van Engeland ook in wilde vorm voorkomt en daar dan ook veel groter kan worden dan bij ons.
Voor de bomen van de maand zie ons archief